Robots spreken enorm tot de verbeelding van jonge kinderen. In dit thema ontdekken leerlingen wat een robot precies is: een machine die opdrachten uitvoert die door mensen zijn bedacht. We maken het onderscheid tussen levende wezens en geprogrammeerde apparaten. Dit vormt de basis voor Computational Thinking binnen de SLO-doelen.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Computational Thinking - Fase 1: Begrijpen van automatiseringSLO Computational Thinking - Fase 1: Apparaten die voorgeprogrammeerd zijn
De leerkracht speelt een robot die een boterham moet smeren. De leerlingen geven commando's. Als ze vergeten te zeggen 'pak het mes', doet de robot niets. Dit laat zien hoe letterlijk een robot denkt.
Geef groepjes kaartjes met eigenschappen (kan huilen, heeft stroom nodig, kan zelf nadenken, is van ijzer). De leerlingen sorteren deze bij de 'Mens' of de 'Robot'.
Hang plaatjes op van verschillende apparaten (wasmachine, hond, robotmaaier, auto). Leerlingen lopen rond en zetten een stip bij de apparaten die volgens hen een robot zijn.
Robots hebben gevoelens en kunnen zelf beslissingen nemen.
Door films denken kinderen vaak dat robots menselijk zijn. Door te laten zien dat een robot stopt als de batterij leeg is of de code stopt, leren ze dat het een machine is.
Een robot is altijd een ijzeren poppetje.
Veel robots zien eruit als gewone apparaten. Door een robotstofzuiger of een slimme lantaarnpaal te bespreken, verbreden leerlingen hun beeld van technologie.