Fouten maken hoort bij het leerproces, zeker in de digitale wereld. In dit thema introduceren we het concept 'debuggen': het opsporen en verbeteren van foutjes in een stappenplan. Dit is een kernvaardigheid binnen Computational Thinking. We leren leerlingen dat een fout geen falen is, maar een aanwijzing dat de instructie nog niet helemaal klopt.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Computational Thinking - Fase 1: Debuggen van eenvoudige algoritmesSLO Computational Thinking - Fase 1: Probleemoplossend denken
Teken een route op het bord met een bijbehorende 'code' die expres één fout bevat. Leerlingen overleggen in tweetallen waar de robot de mist in gaat en hoe ze de pijl moeten omdraaien.
Wat doe je als de robot de verkeerde kant op gaat?
De leerkracht voert een reeks opdrachten uit, maar doet bij de derde stap iets geks (bijv. rondjes draaien). De leerlingen moeten 'STOP' roepen en de instructie verbeteren.
Groepjes wisselen hun (foutieve) Bee-Bot parcoursen uit. Ze moeten als 'dokters' de code van het andere groepje 'beter maken' zodat de robot alsnog bij de finish komt.
Veel kinderen haken af bij de eerste fout. Door 'fouten maken' te vieren als een ontdekking, leren ze dat zelfs de beste programmeurs de meeste tijd besteden aan debuggen.
Je moet de hele code weggooien als er een fout in zit.
Leerlingen willen vaak opnieuw beginnen. Door ze te leren om stap voor stap terug te kijken, ontdekken ze dat vaak maar één klein deeltje aangepast hoeft te worden.