Binnen dit thema verkennen we de basis van sociaal-emotionele ontwikkeling. Kinderen in groep 1 leren dat hun lichaam signalen geeft over hoe ze zich voelen. We richten ons op het herkennen van de vier basisemoties: blij, boos, verdrietig en bang. Dit sluit direct aan bij Kerndoel 34, waarbij leerlingen leren zorg te dragen voor hun eigen lichamelijke en psychische gezondheid, en Kerndoel 37 over het gedrag van henzelf en anderen.
SLO Kerndoelen en EindtermenKerndoel 34Kerndoel 37
Kinderen staan in tweetallen tegenover elkaar. De ene leerling beeldt een emotie uit met het gezicht en lichaam, terwijl de andere leerling dit als een spiegel nadoet en raadt welk gevoel het is.
De leerkracht verspreidt kaarten met foto's van gezichten in de klas. In kleine groepjes zoeken kinderen naar een specifieke emotie en bespreken ze waarom die persoon zich zo zou voelen.
De leerkracht stelt een vraag over een fysiek gevoel, zoals kriebels in de buik bij blijdschap. Kinderen denken eerst zelf na, bespreken dit met hun buurman en delen hun ervaringen daarna met de kring.
Kinderen denken vaak dat 'boos zijn' hetzelfde is als 'stout zijn'.
Het is belangrijk om uit te leggen dat de emotie boosheid er mag zijn, maar dat het gedrag (zoals slaan) de grens is. Door middel van rollenspellen kunnen kinderen oefenen met boos zijn zonder anderen pijn te doen.
Leerlingen geloven soms dat je maar één emotie tegelijk kunt voelen.
In de praktijk kunnen gevoelens door elkaar lopen. Door situaties te bespreken waarin je bijvoorbeeld bang én dapper bent, leren kinderen de nuance herkennen die ze via directe instructie alleen lastig oppikken.