Ethiek vormt het hart van het filosofie-onderwijs in de bovenbouw. In dit onderwerp maken leerlingen kennis met de twee dominante stromingen in de normatieve ethiek: het utilitarisme (gevolgenethiek) en de deontologie (plichtsethiek). We vergelijken de focus op het grootste geluk voor de grootste groep (Bentham/Mill) met de nadruk op universele morele wetten en de categorische imperatief (Kant).
SLO Kerndoelen en EindtermenDomein C: EthiekDomein A: Vaardigheden (A1)
Op verschillende stations liggen dilemma's (zoals het tram-probleem of privacy vs. veiligheid). Op elk station moeten leerlingen het probleem oplossen vanuit een specifieke stroming: utilitarisme, plichtsethiek of egoïsme.
Leerlingen krijgen alledaagse handelingen (zoals zwartrijden of een wit leugentje) en moeten via Kants universaliseringstest debatteren of deze handelingen moreel toelaatbaar zijn.
In groepjes passen leerlingen Benthams 'hedonistic calculus' toe op een actueel politiek besluit, zoals het verhogen van de belasting op suiker. Ze berekenen de pijn en het plezier voor verschillende groepen.
Utilitarisme betekent dat je gewoon moet doen wat de meeste mensen leuk vinden.
Het gaat om het maximaliseren van welzijn en het minimaliseren van lijden, niet om populariteit. Door leerlingen berekeningen te laten maken waarbij minderheden zwaar lijden, zien ze de complexiteit van deze stroming.
Plichtsethiek is hetzelfde als je aan de wet houden.
Kants plichtsethiek gaat over de morele wet die je jezelf stelt via de rede, wat soms juist tegen de burgerlijke wet in kan gaan. Rollenspellen over burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen dit verschil verduidelijken.