Problemen opdelen, ofwel decompositie, is een kernvaardigheid binnen Computational Thinking. Voor VWO-leerlingen is dit essentieel om grote, complexe projecten behapbaar te maken. In plaats van overweldigd te raken door een grote opdracht, leren ze deze te ontleden in kleinere deeltaken die makkelijker op te lossen zijn. Dit sluit aan bij de SLO-doelen voor het analyseren van complexe problemen.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO DG-CT: Toepassen van decompositieSLO DG-CT: Analyseren van complexe problemen
Geef elk groepje een grote uitdaging (bijv. 'Bouw een pretpark' of 'Organiseer een reis naar Mars'). Ze moeten dit probleem opdelen in minstens 10 kleinere deeltaken en deze logisch ordenen op een groot vel papier of een digitale tool.
Waarom is het handig om een groot probleem op te delen?
Een complex probleem (bijv. een ingewikkelde LEGO-bouwtekening of een recept) wordt verdeeld over stations. Elk groepje is verantwoordelijk voor één 'module' en aan het eind moeten alle modules naadloos op elkaar aansluiten.
Leerlingen nemen een eigen groot doel (bijv. 'een 8 halen voor Frans'). Ze bedenken individueel welke kleine stappen hiervoor nodig zijn. In tweetallen checken ze of de stappen concreet genoeg zijn om direct mee te beginnen.
Hoe pas je decompositie toe bij een groot project?
Ik kan het beste gewoon beginnen en zie wel waar ik uitkom.
Bij complexe taken leidt dit vaak tot vastlopen. Leer leerlingen dat 10 minuten plannen (decompositie) later uren werk bespaart. Gebruik een simulatie waarbij 'planners' sneller klaar zijn dan 'doeners' om dit te bewijzen.
Deeltaken hoeven niets met elkaar te maken te hebben.
Decompositie gaat ook over de raakvlakken (interfaces) tussen taken. Laat in een groepsopdracht zien wat er gebeurt als twee groepjes hun deeltaken niet op elkaar afstemmen; de 'puzzelstukjes' passen dan niet.