Klimaatverandering is een van de meest urgente thema's binnen de natuurwetenschappen en de maatschappij. In VWO 6 gaan we verder dan de basis en duiken we in de werking van klimaatmodellen. Leerlingen leren hoe wetenschappers complexe systemen met vele variabelen (zoals albedo-effect, oceaanstromingen en broeikasgassen) vertalen naar computermodellen. Ze onderzoeken de betrouwbaarheid van deze modellen en leren omgaan met onzekerheidsmarges en scenario-denken.
SLO Kerndoelen en EindtermenDomein A: VaardighedenDomein F: Duurzame ontwikkeling
Met behulp van een online modelleringstool (zoals En-ROADS) onderzoeken leerlingen het effect van positieve en negatieve feedback-loops, zoals het smelten van ijs (albedo) en de opname van CO2 door oceanen.
Verschillende stations tonen grafieken van temperatuur, CO2-concentraties en zeespiegelstijging over verschillende tijdschalen. Leerlingen analyseren de correlaties en noteren welke conclusies wel en niet getrokken kunnen worden.
Welke factoren beïnvloeden het versterkte broeikaseffect het meest?
Leerlingen vertegenwoordigen verschillende landen (bijv. Nederland, een eilandstaat, een opkomende economie) en moeten op basis van modelvoorspellingen onderhandelen over emissiedoelen, rekening houdend met economische belangen.
Hoe vertalen we modelvoorspellingen naar effectief klimaatbeleid?
Klimaatmodellen zijn onbetrouwbaar omdat ze het weer van volgende week niet eens kunnen voorspellen.
Weer is korte termijn en chaotisch, terwijl klimaat gaat over langetermijngemiddelden. Door actieve vergelijking tussen weer- en klimaatdata leren leerlingen dat klimaatmodellen zeer accuraat zijn in het voorspellen van trends.
Het gat in de ozonlaag is de belangrijkste oorzaak van de opwarming van de aarde.
Dit zijn twee verschillende milieuproblemen. Het broeikaseffect gaat over het vasthouden van warmtestraling door gassen zoals CO2 en methaan. Actieve schema-bouw helpt leerlingen deze processen uit elkaar te houden.