In dit onderdeel duiken we in de twee dominante stromingen van de moderne ethiek: de plichtsethiek (deontologie) van Kant en de gevolgenethiek (utilitarisme) van Bentham en Mill (SLO Domein C1). Leerlingen leren morele dilemma's te analyseren vanuit twee totaal verschillende invalshoeken: is een handeling goed omdat de intentie en de regel kloppen, of omdat het resultaat het meeste geluk oplevert?
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Domein C: EthiekEindterm C1: Ethische theorieën
Presenteer verschillende variaties van het tram-probleem. Leerlingen moeten per casus stemmen: utilitaristisch (red de meeste levens) of deontologisch (niet actief doden). Ze moeten hun stem verdedigen met de juiste vaktermen.
Op verschillende stations liggen casussen (bijv. liegen om een vriend te beschermen). Op station A lossen ze het op als een strikte Kantiaan, op station B als een utilitarist. Ze noteren de botsende conclusies op een gezamenlijk blad.
Denken-Delen-Uitwisselen: De Categorische Imperatief
Leerlingen bedenken een alledaagse handeling (bijv. afval op straat gooien). Ze passen de universaliseringstest van Kant toe: wat als iedereen dit altijd zou doen? Ze bespreken in tweetallen of de handeling de test doorstaat.
Hoe bereken je het grootste geluk voor de grootste groep?
Utilitarisme betekent dat je gewoon doet wat je zelf leuk vindt.
Integendeel, het utilitarisme eist dat je jouw geluk even zwaar weegt als dat van ieder ander. Het is een zeer onbaatzuchtige theorie die vaak vraagt om persoonlijke offers voor het algemeen belang.
Plichtsethiek is gewoon 'de wet volgen'.
Kants plichtsethiek gaat over de morele wet die je jezelf stelt via de rede, niet over de wetten van de overheid. Soms kan je morele plicht juist ingaan tegen de geschreven wet.