Sparen en lenen zijn fundamentele concepten binnen de financiële educatie van VWO-leerlingen. In dit onderwerp verkennen ze de motieven om geld opzij te zetten (vooruitzien, rente, doel) versus de noodzaak of wens om geld te lenen. Ze leren dat lenen in feite het naar voren halen van toekomstige consumptie is, waarvoor een prijs betaald moet worden in de vorm van rente.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Kerndoel 44Domein A: Consumptie
Eén leerling speelt de bankadviseur, de ander een klant die geld wil lenen voor een scooter of studie. De adviseur moet kritische vragen stellen over inkomen en terugbetalingscapaciteit op basis van een verstrekt profiel.
Groepen vergelijken de huidige spaarrentes van grote banken met de leenrentes van postorderbedrijven of creditcards. Ze berekenen het verschil in kosten over een jaar en presenteren waarom lenen zo duur is.
Leerlingen krijgen drie dilemma's (bijv. een kapotte laptop voor school, een droomvakantie, een rijbewijs). Ze bepalen individueel of ze zouden sparen of lenen, bespreken hun argumenten in tweetallen en toetsen dit aan de klas.
Rente is de prijs van geld. Je krijgt het als je geld uitleent (sparen), maar je betaalt het als je geld leent. Door leerlingen beide kanten van de balans te laten berekenen, begrijpen ze dat rente voor de één een opbrengst en voor de ander een kostenpost is.
Geld lenen is altijd slecht.
Lenen kan een rationele keuze zijn, bijvoorbeeld voor een investering in een studie of een huis (hypotheek). Via een gestructureerd debat kunnen leerlingen leren onderscheid te maken tussen consumptief krediet en investeringen.