Om taken uit te kunnen voeren, heeft de overheid inkomsten nodig. In dit thema duiken we in de wereld van belastingen en de rijksbegroting. We maken onderscheid tussen directe belastingen (op inkomen en winst) en indirecte belastingen (zoals btw en accijns). Voor vwo-leerlingen leggen we de nadruk op de herverdelende functie van belastingen: hoe zorgen we ervoor dat de verschillen tussen rijk en arm niet te groot worden?
Geef groepen een fictieve euro belastinggeld. Op basis van de echte rijksbegroting moeten ze uitzoeken hoeveel centen naar zorg, onderwijs, defensie, etc. gaan. Ze maken een visuele 'taartpunt' en presenteren of ze deze verdeling eerlijk vinden.
Denken-Delen-Uitwisselen: Accijns: Straf of Sturing?
Leerlingen bedenken individueel waarom de overheid extra belasting heft op sigaretten en benzine. In paren bespreken ze of dit bedoeld is om geld op te halen of om gedrag te veranderen. Ze delen hun mening over of dit ook voor suiker of vliegreizen moet gelden.
Wat is het verschil tussen directe en indirecte belastingen?
Verdeel de klas in inkomensgroepen (hoog, midden, laag). Laat ze een 'belasting' betalen over verdiende punten in een spel. Experimenteer met een vlaktaks (iedereen hetzelfde %) versus een progressief stelsel. Bespreek daarna welk systeem de meeste motivatie en de meeste eerlijkheid oplevert.
Btw is een belasting die winkeliers moeten betalen.
Winkeliers innen de btw wel, maar de consument betaalt het uiteindelijk. De winkelier draagt het alleen af aan de belastingdienst. Door leerlingen bonnetjes te laten analyseren, zien ze dat zijzelf degenen zijn die de indirecte belasting betalen.
Als de overheid meer geld nodig heeft, drukken ze gewoon extra geld bij.
Extra geld bijdrukken leidt tot inflatie (waardevermindering van geld). De overheid moet haar inkomsten halen uit belastingen of leningen. Het bespreken van historische voorbeelden van hyperinflatie helpt dit concept te verduidelijken.