De basis van programmeren in groep 7 draait om het vertalen van logisch denken naar concrete commando's. Leerlingen maken kennis met visuele programmeertalen zoals Scratch of Blockly, waarbij ze met blokken code bouwen. Ze leren dat een computer een machine is die instructies zeer letterlijk en in een specifieke volgorde uitvoert. Dit is de praktische toepassing van alle computational thinking vaardigheden.
De klas wordt een speelveld. Eén leerling is de 'sprite' en krijgt opdrachten via fysieke 'code-kaarten' (stap vooruit, draai links). Leerlingen moeten de kaarten zo leggen dat de sprite een parcours aflegt.
Geef groepjes een stukje code dat 'stuk' is (het doet niet wat de bedoeling is). De leerlingen moeten samen de fout (de bug) vinden en de code herstellen.
Leerlingen bouwen in tweetallen een simpele animatie of game. Daarna wisselen ze van plek en leggen ze aan een ander tweetal uit hoe hun code werkt en welke blokken ze hebben gebruikt.
Programmeren is alleen voor kinderen die heel goed zijn in rekenen.
Programmeren is vooral een talige en logische vaardigheid. Door te focussen op creatieve projecten zoals digitale kunst of verhalen, ontdekken leerlingen dat logica voor iedereen toegankelijk is.
Als mijn code niet werkt, heb ik gefaald.
Fouten maken (bugs) hoort bij het proces. Via de 'Debug-Club' leren we leerlingen dat het vinden en oplossen van fouten juist de kern is van goed programmeren en een kans is om te leren.