Activiteit 01
Stationrotatie: Plaatgrensmodellen
Richt drie stations in met klei of brooddeeg voor convergente, divergente en transforme grenzen. Groepen bouwen en simuleren bewegingen met 'aardbevingen' door druk uitoefenen. Elke groep noteert kenmerken en presenteert kort aan de klas.
Differentiateer tussen convergente, divergente en transforme plaatgrenzen en hun geologische kenmerken.
FacilitatietipTijdens de stationrotatie: zorg dat elk station een uniek fysiek model heeft, zoals een touwtjesysteem voor subductie, zodat leerlingen het verschil tussen convergentie en divergentie direct kunnen zien.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaartje met een beschrijving van een geologische situatie (bv. 'Twee platen bewegen uit elkaar', 'Eén plaat duikt onder de ander'). Vraag hen om het type plaatgrens te benoemen, een kenmerk te geven en te beschrijven welk type aardbevingen daar het meest waarschijnlijk is.