Activiteit 01
Onderzoekskring: Sensorkalibratie
Leerlingen meten de output van een afstandssensor bij bekende afstanden en maken een grafiek om de nauwkeurigheid en het bereik van de sensor te bepalen.
Hoe neemt een robot zijn omgeving waar?
Ideeën voor actief leren
Sensoren en actuatoren vormen de zintuigen en de spieren van een robot. In dit onderwerp leren leerlingen hoe fysieke grootheden zoals licht, afstand of druk worden omgezet in elektrische signalen door sensoren. Ze onderzoeken ook de werking van actuatoren, zoals elektromotoren en servo's, die deze signalen weer omzetten in beweging. De focus ligt op de signaalverwerking: hoe een microcontroller (zoals een Arduino) de input van een sensor gebruikt om een actuator aan te sturen.
Activiteit 01
Leerlingen meten de output van een afstandssensor bij bekende afstanden en maken een grafiek om de nauwkeurigheid en het bereik van de sensor te bepalen.
Hoe neemt een robot zijn omgeving waar?
Activiteit 02
Leerlingen schrijven een eenvoudig algoritme waarbij een robot moet stoppen of draaien zodra een druksensor of ultrasoon sensor een obstakel detecteert.
Wat is het verschil tussen een analoge en een digitale sensor?
Activiteit 03
Leerlingen bedenken voorbeelden van analoge en digitale signalen in hun omgeving en bespreken waarom een computer analoge signalen moet omzetten (ADC).
Hoe zet een actuator een elektrisch signaal om in beweging?
Enkele opmerkingen over deze eenheid onderwijzen
Pas op voor deze misvattingen
Een sensor geeft altijd de exacte waarde van de werkelijkheid weer.
Sensoren hebben last van ruis, beperkte resolutie en omgevingsfactoren. Door metingen te herhalen onder verschillende condities, leren leerlingen de onzekerheid in sensordata te waarderen.
Een motor draait altijd precies zoals je hem programmeert.
Factoren zoals wrijving en belasting beïnvloeden de beweging. Leerlingen ontdekken dit wanneer ze een robot een exacte vierkant laten rijden en zien dat dit in de praktijk zelden lukt zonder feedback.
Methodes gebruikt in dit overzicht