In deze introductie maken leerlingen de overstap van het vak maatschappijleer naar de meer theoretische benadering van maatschappijwetenschappen. Het draait hier om het aanleren van een sociologische en politicologische bril. Leerlingen leren werken met de hoofdconcepten en kernconcepten van het vak, die dienen als gereedschap om complexe maatschappelijke verschijnselen te ontleden. Dit vormt de basis voor hun hele vwo-examenprogramma.
Leerlingen zoeken individueel naar een actueel nieuwsartikel en proberen daar drie kernconcepten aan te koppelen. In tweetallen leggen ze aan elkaar uit waarom deze concepten passen, waarna de beste voorbeelden klassikaal worden gedeeld om de begripsafbakening te scherpen.
Kleine groepjes krijgen een alledaags object (zoals een smartphone of een spijkerbroek) en moeten dit analyseren vanuit de vier hoofdconcepten: vorming, binding, verhouding en verandering. Ze presenteren hun bevindingen op een poster aan de rest van de klas.
Hoe gebruik je kernconcepten om de samenleving te analyseren?
Hang verschillende stellingen over de Nederlandse samenleving in het lokaal. Leerlingen lopen rond en noteren bij elke stelling of dit een wetenschappelijk toetsbaar feit is of een waardeoordeel, waarbij ze hun keuze onderbouwen met de zojuist geleerde criteria voor onderzoek.
Wat is het verschil tussen feiten en meningen in onderzoek?
Maatschappijwetenschappen is hetzelfde als maatschappijleer, maar dan met meer tekst.
Het verschil zit in de theoretische diepgang en het gebruik van specifieke concepten als analysekader. Actieve discussies over de definities helpen leerlingen inzien dat MAW een wetenschappelijke discipline is met een eigen begrippenapparaat.
Een mening is evenveel waard als een wetenschappelijke conclusie in dit vak.
Leerlingen moeten leren dat conclusies gebaseerd moeten zijn op representatief onderzoek en theoretische kaders. Door zelf kleine data-analyses uit te voeren, ervaren ze sneller het verschil tussen een onderbouwde conclusie en een persoonlijke opvatting.