Inkomensongelijkheid (Domein H2) is een centraal thema in het Nederlandse politieke debat. Leerlingen leren hoe de verdeling van inkomens en vermogens grafisch kan worden weergegeven met de Lorenzcurve en statistisch met de Gini-coëfficiënt. We maken een scherp onderscheid tussen het primaire inkomen (verdiend met productiefactoren) en het secundaire inkomen (na belastingen en subsidies).
SLO Kerndoelen en EindtermenDomein H: Welvaart en groeiSubdomein H2: Inkomensverdeling
Geef groepjes inkomensdata van twee fictieve landen (bijv. 'Egalia' en 'Capitalia'). Leerlingen berekenen de cumulatieve percentages, tekenen de Lorenzcurves op ruitjespapier en bepalen welk land de meest scheve verdeling heeft.
Verdeel de klas in inkomensgroepen. Laat ze gezamenlijk stemmen over een belastingstelsel (proportioneel, progressief of degressief) om een publiek goed te financieren. Analyseer daarna de effecten op de koopkracht van de verschillende groepen.
Wat is het verschil tussen het primaire en secundaire inkomen?
Denken-Delen-Uitwisselen: Nivellering, goed of slecht?
Stel de vraag: 'Moet de overheid de inkomensverschillen verder verkleinen?'. Leerlingen wegen argumenten over sociale rechtvaardigheid af tegen economische prikkels en delen hun conclusie met de klas.
Hoe zorgt een progressief belastingstelsel voor nivellering?
Een Gini-coëfficiënt van 1 betekent perfecte gelijkheid.
Juist andersom: 0 staat voor perfecte gelijkheid en 1 voor maximale ongelijkheid (één persoon heeft alles). Door leerlingen de oppervlakte onder de Lorenzcurve te laten inkleuren, onthouden ze dit visuele verband beter.
Vermogensongelijkheid en inkomensongelijkheid zijn hetzelfde.
Inkomen is een stroomgrootheid (wat je per jaar verdient), vermogen is een voorraadgrootheid (je bezittingen minus schulden). In Nederland is de inkomensongelijkheid relatief laag, maar de vermogensongelijkheid relatief hoog. Het maken van een tabel met deze verschillen verheldert dit.