In dit thema maken leerlingen de vertaalslag van abstracte economische begrippen naar hun eigen portemonnee. Het opstellen van een budget en het categoriseren van inkomsten en uitgaven zijn essentiële vaardigheden voor financiële zelfredzaamheid. We onderscheiden hierbij vaste lasten, incidentele uitgaven en dagelijkse uitgaven. Voor vwo-leerlingen kijken we ook naar de logica achter deze indeling en het belang van reserveren voor de toekomst.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Kerndoel 44Nibud leerdoelen financiële educatie
Groepen onderzoeken de totale kosten van het bezitten van een hond of kat voor één jaar. Ze moeten inkomsten (bijbaantjes/zakgeld) afwegen tegen vaste lasten (voer, verzekering) en incidentele kosten (dierenarts). Ze presenteren hun sluitende begroting op een poster.
Richt drie stations in: 1. Berekenen van jaarlijkse vaste lasten, 2. Prioriteren van incidentele uitgaven, 3. Een kasboekje bijwerken na een week vol verleidingen. Leerlingen roteren en lossen op elk station een specifiek financieel dilemma op.
Leerlingen krijgen de casus van een scholier die al zijn kleedgeld in de eerste week uitgeeft aan één dure jas. Ze bedenken individueel oplossingen, bespreken in paren hoe ze dit hadden kunnen voorkomen met een budget, en delen hun beste bespaartips met de klas.
Waarom is het belangrijk om overzicht te houden over je geld?
Vaste lasten zijn uitgaven die je elke dag doet, zoals eten kopen.
Vaste lasten zijn uitgaven die met een vaste regelmaat terugkomen en waar je vaak aan vastzit via een contract, zoals een telefoonabonnement of huur. Dagelijkse uitgaven zijn variabeler. Het laten sorteren van bonnetjes in categorieën helpt leerlingen dit onderscheid visueel te maken.
Als ik aan het eind van de maand 0 euro overhoud, heb ik een goed budget.
Een gezond budget bevat ook een post 'sparen' of 'onvoorzien'. Zonder reserve ben je financieel kwetsbaar. Door leerlingen in een simulatie te confronteren met een kapotte fiets, zien ze direct waarom een nul-budget niet volstaat.