Fouten opsporen, ook wel 'debugging' genoemd, is misschien wel de belangrijkste houding binnen Computational Thinking. In groep 5 leren leerlingen dat een bug in hun code geen falen is, maar een kans om te leren. Ze ontwikkelen een systematische aanpak om te achterhalen waar een instructie misgaat. Dit sluit aan bij de SLO-doelen voor probleemoplossend vermogen en kritisch denken.
SLO Kerndoelen en EindtermenSLO Computational thinking - DebuggenKerndoel 54
De leerkracht deelt een papieren code uit met een bewuste fout erin (bijv. een route door de klas die tegen een muur eindigt). Groepjes moeten de fout omcirkelen en de verbetering opschrijven.
Denken-Delen-Uitwisselen: De Rubberen Eend Methode
Leerlingen leggen hun code stap voor stap uit aan een klasgenoot (of een denkbeeldige eend). Vaak ontdekken ze tijdens het hardop vertellen zelf waar de fout zit.
Verschillende stations met 'kapotte' opdrachten: een kapotte legobeschrijving, een recept met verkeerde volgorde en een Scratch-project dat niet start. Fix ze allemaal!
Als mijn code niet werkt, ben ik niet goed in programmeren.
Leerlingen raken snel gefrustreerd. Door debugging te presenteren als een 'detectivespel' in plaats van een fout, verander je hun perspectief op succes en falen.
De computer maakt de fout.
Kinderen geven vaak de schuld aan het apparaat. Door hun eigen instructies heel letterlijk na te spelen, ontdekken ze dat de computer precies doet wat zij hebben gevraagd, ook als dat niet de bedoeling was.