Activiteit 01
Stationrotatie: Tellen met Objecten
Richt vier stations in: blokjes stapelen en tellen, knikkers in bekers doen, vingerpoppetjes op een lijn zetten en fruitkaarten sorteren. Groepen draaien elke 7 minuten en noteren het aantal op een werkblad. Sluit af met een klassale vergelijking.
Differentiate tussen het tellen van objecten en het benoemen van getallen in een reeks.
FacilitatietipTijdens stationrotatie: draai met de leerlingen mee om directe feedback te geven terwijl ze tellen met blokjes of knikkers.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaart met 5 objecten (bijvoorbeeld potloden). Vraag hen om de potloden te tellen en het juiste getalsymbool op te schrijven. Vraag vervolgens: 'Welk getal komt er na 3?'