Activiteit 01
Stationrotatie: Klimaat en Vegetatie
Richt vijf stations in voor zones: regenwoud (vochtige planten), savanne (grasmodellen), woestijn (cactus-simulaties), toendra (koude-adaptaties) en boreaal bos (naaldbomen). Groepen draaien elke 10 minuten, noteren aanpassingen en klimaatkenmerken. Sluit af met een klassikale vergelijking.
Analyseer hoe de aanpassing van planten aan specifieke klimaatkenmerken leidt tot verschillende vegetatiezones.
FacilitatietipGeef bij Stationrotatie duidelijk aan welke klimaatdata (temperatuur, neerslag) leerlingen per zone moeten vergelijken en hoe ze die moeten koppelen aan de vegetatiekaarten.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaartje met de naam van een vegetatiezone (bv. woestijn, taiga). Vraag hen één specifieke plantenadaptatie te noemen die kenmerkend is voor die zone en een korte uitleg te geven waarom deze adaptatie functioneel is in dat klimaat.