Activiteit 01
Kaartenspel: Stam + t Quiz
Deel kaarten uit met infinitieven en persoonlijke voornaamwoorden. Leerlingen trekken een kaart en vormen snel de juiste vorm, leggen deze op een stapel voor ik of hij/zij/het. Groepen tellen correcte antwoorden en bespreken fouten na 10 minuten.
Verklaar waarom de stam van een werkwoord de basis is voor bijna alle vervoegingen.
FacilitatietipZet het kaartenspel ‘Stam + t Quiz’ op met werkwoorden die eindigen op medeklinkers waar de -t-regel geldt, zoals ‘fietsen’ en ‘werken’, zodat leerlingen patronen leren herkennen.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaart met een werkwoord (bv. 'lopen', 'kijken', 'werken'). Vraag hen de stam te noteren, de stam + t-regel toe te passen voor de 'hij'-vorm, en een zin te schrijven waarin dit werkwoord in de tegenwoordige tijd correct is vervoegd.