Activiteit 01
Kaartspel: Werkwoordmatch
Deel kaarten uit met werkwoorden in stam, ik-vorm, hij-vorm en verleden tijd. In paren matchen leerlingen de vormen en vormen zinnen. Wissel kaarten na 5 minuten en bespreek matches plenair.
Hoe identificeer je het werkwoord in een zin?
FacilitatietipGeef bij het kaartspel Werkwoordmatch duidelijke voorbeelden van hoe een werkwoord in verschillende tijden kan voorkomen, zoals 'ik loop' en 'hij liep'.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaart met een zin. Vraag hen het werkwoord te onderstrepen en de stamvorm ervan op te schrijven. Bijvoorbeeld: 'De hond blaft luid.' (stam: blaffen).