Activiteit 01
Stationrotatie: Wrijvingsbanen
Richt vier stations in met verschillende oppervlakken: glad papier, ruw zandpapier, tapijt en zeepwater op plastic. Laat groepjes een bal of auto laten glijden, meet de afgelegde afstand met een liniaal en noteer in een tabel. Wissel na 8 minuten van station.
Op welk oppervlak glijdt een bal makkelijker: glad of ruw?
FacilitatietipZorg bij de stationrotatie dat de hellingbanen precies even lang zijn, anders meet je niet alleen wrijving maar ook verschil in hoogte.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaartje met een plaatje van een situatie (bv. fietsen, schaatsen, handen wrijven). Vraag hen om één zin op te schrijven over de wrijving in die situatie: is het veel of weinig, en is het handig of niet handig?
ToepassenAnalyserenEvaluerenZelfbewustzijnZelfmanagementSociaal Bewustzijn
Volledige les genereren→· · ·
Activiteit 02
Paarwerk: Warme handen
Kinderen wrijven hun handen 20 seconden snel over elkaar en beschrijven het gevoel van warmte. Vergelijk met langzaam wrijven. Teken een smiley bij het sterkste gevoel en bespreek waarom wrijving hitte maakt.
Wat voel je als jij je handen snel over elkaar wrijft?
FacilitatietipGeef leerlingen bij het paarwerk 'warme handen' een stopwatch om de tijd bij te houden, zodat ze het verband tussen wrijving en warmte kunnen kwantificeren.
Waar je op moet lettenLaat de leerlingen in kleine groepjes nadenken over de vraag: 'Wanneer is wrijving een vriend en wanneer is het een vijand?'. Laat elk groepje drie voorbeelden noemen en deze aan de klas presenteren.
ToepassenAnalyserenEvaluerenZelfbewustzijnZelfmanagementSociaal Bewustzijn
Volledige les genereren→· · ·
Activiteit 03
Klassikale test: Auto's glijden
Plaats speelgoedauto's bovenaan hellingbanen met glad en ruw oppervlak. Laat de hele klas voorspellen welke het verst komt, meet en tel stemmen voor en na. Herhaal met olie voor minder wrijving.
Vertel wanneer wrijving handig is en wanneer je liever minder wrijving hebt.
FacilitatietipTest de auto's voor de klassikale test zelf eerst op beide oppervlakken, zodat je weet welke afstand realistisch is voor de leerlingen.
Waar je op moet lettenTijdens de activiteit met de ballen: vraag leerlingen om te wijzen naar het gladde oppervlak en het ruwe oppervlak. Vraag vervolgens: 'Waar rolt de bal het verst en waarom?' Observeer of ze de termen correct toepassen.
ToepassenAnalyserenEvaluerenZelfbewustzijnZelfmanagementSociaal Bewustzijn
Volledige les genereren→· · ·
Activiteit 04
Individueel: Dagelijks wrijven
Elk kind kiest een situatie met wrijving, zoals schoenen op vloer, tekent het en schrijft of noteert of meer of minder wrijving handig is. Deel één voorbeeld met de klas.
Op welk oppervlak glijdt een bal makkelijker: glad of ruw?
FacilitatietipBij het individueel 'dagelijks wrijven' geef je leerlingen een werkblad met ruimte om hun observaties te tekenen en kort te beschrijven.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaartje met een plaatje van een situatie (bv. fietsen, schaatsen, handen wrijven). Vraag hen om één zin op te schrijven over de wrijving in die situatie: is het veel of weinig, en is het handig of niet handig?
ToepassenAnalyserenEvaluerenZelfbewustzijnZelfmanagementSociaal Bewustzijn
Volledige les genereren→Enkele opmerkingen over deze eenheid onderwijzen
Begin met concrete voorbeelden die kinderen herkennen, zoals remmen op de fiets of glijden op een gladde vloer. Vermijd te veel uitleg vooraf; laat ze eerst zelf ervaren en observeer hun taalgebruik. Gebruik hun eigen woorden om het begrip 'wrijving' in te voeren en uit te breiden. Sluit af met een klassikale bespreking waar je hun bevindingen verbindt met de lesdoelen.
Succesvol leren zie je als leerlingen wrijving actief toepassen: ze voorspellen, testen en verklaren waarom voorwerpen op ruwe oppervlakken minder ver rollen dan op gladde. Ze herkennen wrijving in hun eigen omgeving en kunnen voorbeelden geven van nuttige en minder nuttige wrijving.
Pas op voor deze misvattingen
Tijdens de stationrotatie 'Wrijvingsbanen' denken leerlingen dat wrijving altijd slecht is en alles langzamer maakt.
Tijdens de stationrotatie 'Wrijvingsbanen' laat je leerlingen zelf opmerken dat hun auto alleen stopt door wrijving op het ruwe oppervlak. Vraag hen: 'Wat zou er gebeuren als er geen wrijving was?' en laat ze dit testen met een glad oppervlak.
Tijdens het paarwerk 'Warme handen' denken leerlingen dat alleen ruwe voorwerpen wrijving veroorzaken.
Tijdens het paarwerk 'Warme handen' laat je leerlingen met hun handen over een glad plastic oppervlak wrijven en voelen ze dat er ook wrijving is, alleen minder sterk. Vergelijk dit met ruw zandpapier om het verschil te benadrukken.
Tijdens de activiteit 'Glijden van de auto' denken leerlingen dat wrijving geen hitte veroorzaakt.
Tijdens de activiteit 'Glijden van de auto' vraag je leerlingen om na het wrijven van de auto met hun vingers aan het oppervlak te voelen. Laat ze verwoorden wat ze voelen en bespreek hoe energie omgezet wordt in warmte.
Methodes gebruikt in dit overzicht