Verbranding is een chemisch proces met enorme fysieke en maatschappelijke gevolgen. Leerlingen bestuderen de voorwaarden voor verbranding (brandstof, zuurstof, ontbrandingstemperatuur) en de producten die hierbij vrijkomen. Er is specifieke aandacht voor de milieu-impact, zoals het versterkte broeikaseffect en luchtvervuiling, wat aansluit bij de SLO-eindtermen over duurzame energie.
SLO Kerndoelen en EindtermenNASK2/K/7 Water en luchtNASK2/K/9 Productieprocessen
Leerlingen debatteren over de Nederlandse beslissing om te stoppen met aardgas. Ze gebruiken argumenten over CO2-uitstoot, veiligheid (Groningen) en de efficiëntie van warmtepompen versus cv-ketels.
Leerlingen onderzoeken hoe de hoeveelheid beschikbare lucht de brandduur van een kaars beïnvloedt. Ze verzamelen data en trekken conclusies over volledige versus onvolledige verbranding.
Groepen presenteren verschillende duurzame energiebronnen (wind, zon, kernenergie, waterstof). Leerlingen beoordelen elkaars presentaties op basis van haalbaarheid en milieu-impact.
Het broeikaseffect is per definitie slecht voor de aarde.
Zonder het natuurlijke broeikaseffect zou de aarde te koud zijn voor leven. Het probleem is het *versterkte* broeikaseffect door menselijke uitstoot. Een simulatie van de warmtebalans van de aarde kan dit onderscheid verhelderen.
Bij verbranding verdwijnt de massa van de brandstof.
Massa blijft behouden; de brandstof verandert in onzichtbare gassen zoals CO2 en waterdamp. Het wegen van een experimentele opstelling voor en na verbranding (in een gesloten systeem) bewijst dit.