In de laatste fase van het curriculum kijken we naar de theoretische fundamenten van de sociale wetenschappen: de paradigma's. Leerlingen leren dat er niet één waarheid is, maar verschillende manieren om naar de samenleving te kijken. We behandelen het functionalisme, de conflictbenadering, het sociaal-constructivisme en de rationele-actor-benadering. Voor VWO 6 is dit de ultieme verdieping die nodig is voor een wetenschappelijke houding.
SLO Kerndoelen en EindtermenDomein A: VaardighedenSyllabus Maatschappijwetenschappen VWO
Op vier stations ligt dezelfde casus (bijv. onderwijsachterstanden). Leerlingen moeten de casus telkens analyseren vanuit een ander paradigma: wat zou een functionalist zeggen? En een conflict-theoreticus?
Wat is het verschil tussen het functionalisme en de conflictbenadering?
De klas wordt verdeeld in aanhangers van de conflictbenadering en het functionalisme. Ze debatteren over de functie van sociale ongelijkheid: is het een noodzakelijke prikkel voor de samenleving of een instrument van onderdrukking?
Hoe kijkt het sociaal-constructivisme naar identiteit?
Denken-Delen-Uitwisselen: Is Identiteit een Constructie?
Leerlingen bedenken voorbeelden van hoe gender of nationaliteit sociaal geconstrueerd zijn. Ze bespreken in tweetallen hoe dit past binnen het sociaal-constructivisme en wat de gevolgen zijn voor ons handelen.
Paradigma's zijn verschillende perspectieven die elk een deel van de werkelijkheid belichten. Door dezelfde casus vanuit meerdere brillen te bekijken, leren leerlingen de waarde van theoretische diversiteit inzien.
Het functionalisme vindt alles wat bestaat ook goed.
Functionalisme kijkt naar de bijdrage aan de stabiliteit, maar erkent ook 'dysfuncties'. Actieve analyse van maatschappelijke instituties helpt leerlingen dit onderscheid te maken.