Activiteit 01
Station Rotatie: Kansstations
Richt vier stations in: muntgooien (20 keer), dobbelsteen (rood of niet), kaarttrekken (harten) en kleurballen (rood). Groepen draaien elke 10 minuten, tellen uitkomsten en berekenen experimentele kansen. Sluit af met vergelijking theoretische en experimentele kansen in de kring.
Wat is het verschil tussen theoretische kans en experimentele kans?
FacilitatietipGeef bij Station Rotatie duidelijke instructies per station met voorbeelden van ongelijke kansen, zoals een oneerlijke dobbelsteen, om misconcepties direct tegen te gaan.
Waar je op moet lettenGeef leerlingen een kaart met een scenario: 'Je trekt één kaart uit een standaard kaartspel van 52 kaarten. Wat is de kans dat je een schoppen vrouw trekt?' Vraag hen de kans te berekenen, uit te drukken als breuk en percentage, en te verklaren waarom dit de kans is.