Activiteit 01
Stationrotatie: Functiegrafieken
Richt vier stations in: lineair (verander a en b), kwadratisch (focus op vertex), exponentieel (groei en daling), vergelijking (match grafiek met formule). Groepen rotëren elke 10 minuten, noteren kenmerken en verschillen. Sluit af met klassenpresentatie.
Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de grafiek van een lineaire, kwadratische en exponentiële functie?
FacilitatietipZorg bij de stationrotatie dat elk station een duidelijk verschillend functietype toont, met voldoende tijd voor leerlingen om te tekenen en te vergelijken in hun schrift.
Waar je op moet lettenGeef leerlingen drie grafieken: een lineaire, een kwadratische en een exponentiële. Vraag hen om elke grafiek te classificeren en één kenmerk te noemen dat hun keuze ondersteunt. Vraag ook naar de algemene vorm van de formule (bijv. 'met x tot de macht 2').