Activiteit 01
Stationrotatie: Kansproeven
Richt vier stations in: muntgooien (100 keer), dobbelsteen (specifiek getal), kaarten trekken (kleur), en urnmodel (kleurige knikkers). Groepen doen 50 herhalingen per station, noteren relatieve frequenties en vergelijken met theorie. Sluit af met klassenbespreking van convergentie.
Analyseer hoe de wet van de grote aantallen de relatie tussen theoretische en experimentele kansen verklaart.
FacilitatietipBij stationrotatie: zorg voor variatie in experimenten (munten, dobbelstenen, kleurenzakjes) en laat leerlingen zowel theoretische kansen als experimentele frequenties opschrijven.
Waar je op moet lettenGeef leerlingen een kaart met een scenario, bijvoorbeeld: 'Je gooit een eerlijke munt 10 keer op. Wat is de theoretische kans op precies 5 keer kop?' Vraag hen de berekening uit te schrijven en kort te reflecteren of ze verwachten dat dit resultaat bij 100 worpen waarschijnlijker wordt.