Activiteit 01
Stationrotatie: Instrumentenstations
Richt stations in voor snaartrillingen met elastieken over dozen, luchttrillingen met waterflessen, membraantrillingen met ballonnen en percussie met rijstbakjes. Groepen rouleren elke 10 minuten, testen variabelen zoals lengte of spanning en noteren toonhoogte en volume. Sluit af met klassenpresentatie van bevindingen.
Hoe produceren verschillende muziekinstrumenten geluid?
FacilitatietipZorg bij Stationrotatie dat elk station een duidelijk fysiek instrument heeft met een meetbare variabele (bijv. spanning op een snaar of luchtstroom in een fluit).
Waar je op moet lettenGeef leerlingen een kaart met de naam van een muziekinstrument (bijv. viool, trompet, drumstel). Vraag hen om één zin te schrijven die uitlegt hoe het instrument geluid produceert en één zin die beschrijft hoe de toonhoogte kan worden veranderd.