Activiteit 01
Stationrotatie: Kenmerkenstations
Richt vier stations in: poten en antennes bij insecten, veren en snavels bij vogels, haar en oren bij zoogdieren, vinnen en schubben bij vissen. Groepen draaien elke 8 minuten, observeren voorbeelden en sorteren kaartjes met dieren. Sluit af met een klassenrondje om keuzes te delen.
Hoe ziet een insect, een vogel, een zoogdier en een vis er anders uit?
FacilitatietipZorg dat elk station bij de Kenmerkenstations duidelijke voorbeelden bevat van minstens twee verschillende diergroepen om vergelijking te stimuleren.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaart met een afbeelding van een dier. Vraag hen om twee kenmerken van het dier op te schrijven en in welke groep het dier thuishoort (bijvoorbeeld insect, vogel, vis, zoogdier). Controleer of de kenmerken en de classificatie correct zijn.