Activiteit 01
Circuitmodel: Aanpassingen per Biome
Richt vier stations in: woestijn (modellen van kamelen), oceaan (vispreparaten), pool (poolvossen met witte vacht) en tropisch regenwoud (kleurrijke kikkers). Groepen draaien elke 10 minuten, noteren aanpassingen en koppelen ze aan overleving. Sluit af met een klassenvergelijking.
Analyseer hoe morfologische, fysiologische en gedragsmatige aanpassingen dieren helpen te overleven.
FacilitatietipGeef bij de Station Rotation duidelijke instructies per station, inclusief een voorbeeld van hoe leerlingen de aanpassingen moeten koppelen aan de biome.
Waar je op moet lettenGeef elke leerling een kaart met de naam van een dier (bijvoorbeeld een pinguïn, een woestijnvos, een specht). Vraag hen om één morfologische, één fysiologische en één gedragsmatige aanpassing te noteren die dit dier helpt te overleven in zijn specifieke omgeving.